AI is nu overal. In ziekenhuizen, specifiek.
Het helpt uitgerekte verpleegsters. Het helpt artsen met diagnostiek. Het stroomlijnt workflows die vóór de digitale verschuiving verstikkend waren. Maar er is een probleem. Een grote. De regelgeving is niet ingehaald. Niet eens in de buurt.
Hans Henri P. Kluge, WHO-chef voor Europa, zegt dat we technologie sneller inzetten dan dat we vangrails bouwen. Hij nam geen blad voor de mond in Lissabon op 15 juli. Die ontkoppeling? De kloof tussen het gebruiken van AI en het besturen ervan? Het is momenteel de grootste uitdaging.
‘Een bevooroordeeld algoritme kan voor een echte patiënt een verkeerde diagnose opleveren,’ waarschuwde Kluge, ‘met reële gevolgen.’
Denk daar eens over na.
Op dit moment maakt tweederde van de 53 landen in WHO Europa gebruik van AI-diagnostiek. De helft heeft van die patiëntenchatbots. Coole functies, zeker. Maar kijk eens naar de andere kant. Slechts één op de twaalf heeft een strategie om deze technologie daadwerkelijk te beheren.
Slechts 8% heeft een specifieke AI-strategie voor de gezondheid. Ongeveer 40% heeft geen ethische richtlijnen over het gebruik van AI in zorgomgevingen. Eng? Ja, dat denkt Kluge ook. Het erodeert het vertrouwen. Langzaam, gestaag.
Het onderwijs is bijna nog erger. Slechts één op de vijf landen onderwijst AI aan medische studenten. Zodra deze studenten afstuderen en een baan krijgen, biedt slechts één op de vier landen hen training aan over de technologie die ze zogenaamd elke dag gebruiken.
Waarom maakt dat uit? Omdat fouten gebeuren. Vooroordelen sluipen erin. En als het systeem faalt, is het de mens die lijdt.
Dus, wat is het volgende? De WHO mikt op 2028. Ze zijn van plan een routekaart voor AI en gezondheid te lanceren. Vier jaar voelt als een eeuwigheid in de technologiesector, nietwaar?
De hulpmiddelen werken. De patiënten wachten. De regels? Nog steeds aan het schrijven. 🏥






























